Rouw

tree-1667_960_720

Het stormt buiten. Ik lig op mijn rug te kijken naar de zwiepende bomen. Mijn rechterarm heeft zijn eigen kussentje, want mijn schouder is gebroken. Op de kunstijsbaan had ik een scheur in de bocht niet gezien. Het stormt ook in mijn hoofd: gedachten en ideeën. 2018 wordt het jaar van meer actie en aangaan. Ik ben uit de rouw.

In 2017 is in een ernstig ongeluk mijn tante overleden en mijn oom belandde erdoor in een revalidatiecentrum. Mijn dierbaarste vriendin stierf na een lang ziekbed. Een collega van mijn leeftijd bezweek aan zijn hartkwaal. Een jonge vrouw, die ik al sinds haar jeugd ken, werd gedwongen opgenomen in een instelling. Mijn oudste zoon ging de deur uit. Hij woont nu op zichzelf.

De gebroken schouder dwingt me tot reflectie, stilstand. Liever was ik doorgegaan. Ik had geen zin om te voelen, voelen was akelig. Gewoon doorgaan en de dingen doen die je moet doen, zoals mijn moeder altijd deed, dat wilde ik.

Maar nu ik gedwongen ben stil te staan, afspraken moet verplaatsen en de tijd nemen om te herstellen, wordt mij alles helder. Scharrelend in mijn boekenkast kom ik het boekje tegen: ‘De kunst van het nietsdoen’.

“Want soms bereik je meer met nietsdoen dan met handelen. Dit doen door niet te doen is de basis van het taoïstische principe van Wu Wei” Aldus Theo Fischer.

Dan hoop ik dat deze storm ook de schaduwrijke boom in de tuin van de buurman omblaast zodat we vroeg in het voorjaar in de zon kunnen zitten.

 

 

 

 

 

Jeugdallergie geveld

Schermafbeelding 2017-03-08 om 14.43.59

Mijn vader was een lieve, zachte man. Een creatieve amateurfilmer, die tussendoor werkte als buschauffeur. Zijn motto als filmer: bepaal je kader en laat het onderwerp bewegen, niet de camera. Wij, zijn zoons, waren een dankbaar onderwerp. Wij waren niet te stoppen, wilden altijd wel bewegen. En mijn vader stond erbij met zijn camera. Hij filmde ons op zelfgebouwde vlotten, tijdens schaatstochten op dun ijs, bij levensgevaarlijke brommercrosswedstrijden zonder helm, of windsurfend in een storm.

Zelf was hij een wat bangige man, die door zijn eigen vader niet was begrepen en wiens jonge jaren in het teken hadden gestaan van geweld. Hij was vijftien toen de Tweede Wereldoorlog begon. Op zijn 22ste vertrok hij als dienstplichtig militair naar Indonesië, om daar deel te nemen aan de politionele acties.

Ons liet hij alles doen wat hij zelf had gemist in zijn jeugd. Met onze vader als filmende toeschouwer konden mijn broers en ik ongestoord onze gang gaan. Het gevolg van die grenzeloze opvoeding was wel dat ik moeite had met structuur en autoriteiten. Mensen die mij iets wilden leren, vertrouwde ik niet; ik was gewend alles zelf uit te zoeken, met vallen en opstaan. Toch ben ik nieuwsgierig en leergierig, ik wil weten hoe het zit. Alleen, door dit dingetje met autoriteit heb ik nooit structureel leren leren.

Nu heb ik een huisje op een volkstuincomplex met veel bomen. Die moeten worden onderhouden door iemand met een motorzaagdiploma, dat schrijven de tuinregels voor. En zo beland ik bij de cursus ‘Motorzaagvelling voor beginners’. Docent John is strikt: veiligheid voor alles. De eerste twee dagen van de cursus krijgen we dan ook geen boom te zien. Toch weet hij onze aandacht vast te houden, want hij is een enthousiast en begenadigd verteller. Het lukt hem alle facetten van het motorzagen in kleine stukjes op te delen, waarbij hij het volgende stukje pas aanbiedt wanneer wij er klaar voor zijn.

Het volgend weekend zien we bomen staan met een kruis er op. ‘Deze mogen allemaal om, je weet nu hoe het moet’, zegt John. We worden opgedeeld in duo’s en krijgen de opdracht mee om alles wat we willen doen aan onze zaagpartner uit te leggen, stap voor stap, voordat we het daadwerkelijk doen.

Ik ga op pad met Daniël, een bioloog. Daniël is wat introvert en komt langzaam in actie, maar is erg gestructureerd . Ik leg altijd alles uit, wil meteen aan de slag en sla in mijnenthousiasme stappen over. Een goed duo dus. Wij opereren net zo strikt als onze leermeester John. Als de ander het niet eens is met een uitleg, volgt er geen actie. Dan overleggen we kort en nemen een gezamenlijke beslissing. Zo halen we op een veilige manier en precies volgens plan onze bomen om. Daniël legt zelfs twee in elkaar verstrengelde bomen keurig neer.

In een poging dit sterke staaltje te overtreffen, ga ik koortsachtig op zoek naar een nog grotere uitdaging en na lang zoeken vind ik een enorme boom. Ik leg aan Daniël uit hoe ik dit wil aanpakken en hij knikt. Maar als ik de motorzaag aantrek, merk ik hoe moe ik ben; kapot, van de hele dag zagen. Ik kijk omhoog naar de kruin en laat de boom staan.

Motor uit.
Zitten.

John ziet het gebeuren en steekt zijn duim op. ‘Als ik begin aan een perceel,’ vertelt hij, zet ik een extra dik kruis op één van de bomen. Dan zeg ik tegen mezelf: dit wordt de laatste boom die ik vandaag ga vellen. En op het einde van de dag, als ik aan die boom toe ben, laat ik hem staan.’

In de trein terug realiseer ik me dat John een enorme autoriteit is. En dat ik me door hem, stapje voor stapje, heb laten onderwijzen.

 

 

 

 

Schaatsen met demente bejaarden.

schermafbeelding-2016-10-31-om-16-19-28

Ik werd gevraagd om een paar dagen als activiteitenbegeleider te gaan werken bij demente bejaarden. Mijn taak zou worden om vooral de rust te bewaren bij de groep bewoners, zodat het vaste personeel zich kon bezighouden met een reorganisatie. Deze was nodig omdat de instelling onder verscherp toezicht was gesteld wegens ondermaatse zorg.

Aan het gebouw zelf is niets mis. Een prachtig huis in het Gooi met fijne ruime kamers en zitjes voor iedereen, stoelen waarbij je lekker met de beentjes omhoog kan.

 Bij binnenkomst wordt ik niet gelijk begroet, het is spitsuur. Het personeel is te druk met het ontbijt te verzorgen. Merk dat de bewoners dood nerveus worden van rennende verzorgers die overal beetjes aandacht moeten rondstrooien.Als activiteit ga ik na het ontbijt koffie drinken met de krant er bij. Gewoon een pot koffie op tafel, samen de de krant lezen en kijken wat er gebeurd.

 Aan de grote eikenhouten tafel kijken een zestal dames en heren mij verwachtingsvol aan.De krant zelf lezen heeft niet hun interesse en voorlezen blijkt te saai. Men is snel afgeleid. Doet me denken aan de groepsdynamiek van peuters. Daarom pakt ik de Telegraaf vanwege de grote foto’ s en begin de artikelen te vertellen als een spannend verhaal. Het was tijdens de olympische spelen, dus het verhaal over de dronken Youri van Gelder was erg fijn of Epke Zonderland die uit de ringen viel.

 Intuïtief zoek ik de interactie, nodig de dames en heren uit tot reageren omdat ze anders terug vallen in knikkebollen.In mijn enthousiasme beeld ik uit hoe Epke waarschijnlijk was terecht gekomen op de mat. Vervolgens ga ik andere sporten uitbeelden en men gaat raden. Er ontstaat een spel.We raken in gesprek over sporten. Een dame blijkt in haar jeugd op voetballen te hebben gezeten. ‘Ja,’ zegt ze, ‘Logisch, mijn vader was voorzitter van de voetbalclub én de schaats vereniging. Ach, vooral dat schaatsen was altijd zo fijn.’

Ik sta op en begin lange schaats passen uit te beelden, daarna schaatsen we met 3 demente bejaarden over het marmoleum. Over keihard zwart ijs, de leren veters van de doorlopers, de vertrouwde rug van vader. De krentenbol in je rugzakje en de warme chocomelk op de strobaal bij de koek en zopie. Het stro dat aan je billen prikt. Al doende worden herinneringen weer levend, tastbaar.

Tussen alle dutjes, verwarring over rollators en medicatie rondjes door, lukt het me aardig om de bewoners een fijne, zinvolle, dag te bezorgen. De rust te bewaren. Alleen na 15 u gebeurd er iets geks. De dames en heren worden allemaal erg onrustig. Men kijkt om zich heen vraagt hoe laat het is. De bewoners gaan zoek naar hun jas en tas. Men heeft namelijk tot die tijd een passende verklaring gevonden waarom men hier te samen was in dit grote huis. Voor de één is het een hotel of restaurant, voor de ander was het logisch dat dit een feestje moest zijn. Maar zo, na de middag, wil iedereen weer naar huis. Naar hun ouders.

 Ik begin om klip en klaar uit te leggen wat de stand van zaken is. U woont hier, uw ouders leven niet meer, ze zouden dan 140 jaar oud zijn dat kan toch niet? Men neemt even genoegen met zo’n logisch antwoord, daarna begint het opnieuw. ‘Hoe laat wordt ik opgehaald’ ? Wanneer komt mijn zoon? ‘

Dan besef ik mij dat ik beter op de emotie kan inhaken, net als bij het schaatsen. Ik begin te vragen wat thuis voor hen betekent, welke herinneringen er zijn. Hoe het huis en de tuin er uitzien en met wie ze er wonen. Ik zoek samen met de bewoners naar gelukzalige momenten van vroeger. Er ontstaat een milde blik en een glimlach, het is goed zo.We drinken een kopje thee.

 In de trein terug besef ik dat alle indrukken die je ooit hebt opgedaan ergens zijn opgeslagen en je gedrag bepalen. Om echt met elkaar in gesprek te komen is het belangrijk om contact te maken met je emotie die bij de indrukken passen. Als dat niet lukt, omdat iemand dement is,samen de tijd en de rust nemen om terug te gaan naar beelden waar de emotie vandaan komt. Zo beleef je samen even een gelukzalig moment van herkenning, rust en overzicht.

 Ik hoop dat ze dit ook beseffen tijdens de reorganisatie van dit prachtige verzorgingstehuis.

Diamond dance,

In een psychedelische blouse, geleend van mijn vriend Martin, en met een dameshoedje uit de verkleedkist op mijn hoofd, ben ik op weg naar Ruigoord, het kunstenaarsdorp dat dapper standhoudt in het industriële havengebied van Amsterdam.

Hier is het Shoeless Festival . Een nogal vage bedoening, vind ik, met verschillende muziekpodia, foodtrucks en kledingruilkramen, gegroepeerd rond de oude kerk. Ik geef er een workshop improvisatietheater.

Zo’n klus op een festival is lastig. De muziek van het hoofdpodium overheerst alles en bezoekers willen zelf bepalen wat ze doen, zeker op Ruigoord. Maar dat is precies de reden waarom ik op de uitnodiging ben ingegaan: de uitdaging.

Gelukkig word ik deze middag ondersteund door Emma en Saida, twee cursisten van mijn basisgroep theaterimprovisatie. Samen verkennen we het zonnige festivalterrein, waar mensen genieten van de muziek, van het weer en van elkaar.

Onze workshopplek is een soort piste, met bankjes en een vuurrood zeil. Het geheel doet denken aan een kindercircus. We zijn als laatste aan de beurt, na een rij sprekers die manmoedig proberen verhalen aan de man te brengen over onderwerpen als blootvoets leven en de voor en nadelen van de partydrug 4-FMP.

Vanwege het overdonderde geluid van het hoofdpodium besluit ik al mijn oefeningen waaraan praten of luisteren te pas komt, uit het programma te schrappen. Ik vraag aan de technicus hoe hard de geluidsinstallatie kan.

Gelukkig brengt Saida een enthousiaste vriendinnenclub naar de piste en kunnen we beginnen met twaalf deelnemers.

Helaas ontbreekt het kabeltje om mijn iPhone aan te sluiten aan de geluidsinstallatie. De geluidsvrouw glimlacht: no worries, dit is Shoeless, we vinden wel een kabeltje. De microfoon van mijn headset werkt wel en ik zie het vriendinnengroepje van Saida onrustig om zich heen kijken, dus ik begin alvast. Maar zelfs mijn meest extraverte oefening van de Japanse houthakkers waarbij je hard ‘Hang’ , ‘Chi’ of ‘Poh’ mag roepen en met veel drama ‘ harakiri’ mag plegen slaat niet aan. Er is te veel afleiding om ons heen. Al snel zijn er nog maar vijf deelnemers over, die me vragend aankijken.

Dan komt toch nog het kabeltje voor de iPhone en kan ik één van mijn beproefde nummers inzetten, de Diamond Dance. Voor deze oefening, volgen en leiden door middel van bewegen op muziek, heb ik vier nummers van Earth Wind & Fire uitgezocht. Disco. Vintage dansmuziek.

Al meteen na de eerst twee maten stappen omstanders om het rode zeil om te dansen. De oefening mislukt volledig, niemand volgt, niemand leidt, maar de piste stroomt vol. We zijn een discofeestje gestart!

Niemand lijkt op te merken de vier nummers van Earth Wind & Fire steeds weer terugkeren. Lekker dansen, daar gaat het om. Ik heb mijn headset nog op en word vanzelf de MC, die mensen uitnodigt een ‘solo’ te dansen en maffe pasjes voordoet. Lol. Uiteindelijk gaan we in een grote kring bij elkaar op schoot zitten en doen we gezamenlijk de ‘raket’, een vloeiende beweging van de aarde naar de hemel. Daarna danst iedereen weer verder.

Ik stap uit de piste en kijk naar de menigte met een grote glimlach onder mijn dameshoedje. Ik snap Shoeless wel zo’n beetje.

Tegenwind

Fietser Voor BlogHet toegeven van fouten, vooral tegenover mij zoons van 17 en 20, is niet mijn sterkste kant. Ik blijf net zolang uitleggen waarom ik gelijk heb dat mijn kinderen me gelijk geven, om van me af te zijn. Johan Cruijff heeft dit fenomeen tot een kunst verheven:

http://www.nrc.nl/next/van/2016/maart/25/we-waren-hem-al-kwijt-1604928

Ik voetbal niet, ik fiets. Wanneer ik op mijn racefiets zit heb ik nog meer gelijk dan in het gewone leven. Fietsen doe ik al mijn leven lang, hier ben ik goed in. Stoplichten kan ik ‘lezen’ ik ben niet afhankelijk van hun kleur. Racefietsers met spatborden moeten, koste wat kost, worden ingehaald. Ik heb een bel op mijn racefiets dus iedereen moet daar gelijk gehoor aan geven. Da ’s logisch.

Onlangs maakte ik een inschattingsfout toen ik de weg op wilde fietsen. Er kwam een scooter aan die slomer reed dan ik dacht. Ik wilde achter hem langs, in plaats daarvan reed ik bijna tegen hem aan. De scooterrijder had dit al aan zien komen en maakte een soepele beweging naar rechts, wijkt even uit over het voetpad, en vervolgd zijn weg. Zonder op, of om te kijken.

Het gemak waarop deze man met mijn fout om gaat maakt dat ik excuses aanbied. Ik kom hem tegen bij een stoplicht en we raken aan de praat. ‘Ach, het is geven en nemen,’ zegt de man. ‘je moet elkaar ook wat gunnen, het geeft niet ’ en ‘ ik ben al blij dat jij je excuses aanbied, dat waardeer ik’.  In het gesprek dat volgt blijkt dat wij dezelfde kant op moeten. De man op de scooter stelt zelfs voor dat ik achter hem aan rij zodat ik uit de wind word gehouden.Comfortabel peddelend achter de scooterman bedenk ik wat ik tijdens mijn werk als trainer/coach uitleg over leren. Ik mag graag de Amerikaanse psychologe Carol S. Dweck aanhalen en haar onderzoek naar de fixed – en growth mindset.In haar boek ‘Mindset’ schrijft ze o.a. dat je leert door regelmatig te oefenen en bij dat oefenen moeten we juist fouten kunnen maken. De aanpassingen die we doen, na de fout, zorgen ervoor dat we steeds iets beter worden in wat we doen. Ze noemt dit de growth mindset.

De fixed mindset is het tegenovergestelde stelt Carol S. Dweck. Het herbergt de gedachte dat na een bepaalde leeftijd het geen zin meer heeft om iets nieuws te leren. Dweck noemt vooral bewijsdrang en de angst om bekende patronen los te laten als kenmerken van deze fixed mindset, hierdoor wordt veranderen lastiger.

‘Verdorie !’ Hoor ik mezelf zeggen, ‘ik zit in een fixed mindset!’

De man op de groene scooter steekt zijn hand op en slaat af, ik neem deze keer een onbekende route naar huis.

 

 

Apenkooien

 

Onlangs werd ik uitgenodigd als begeleider van een verjaardag feestje. Het was een groep van 10 jongens en één meisje in de leeftijd van ongeveer 11 jaar. Voor dit doel had de vader van de jarige, Ron, een gymzaaltje afgehuurd.

Het is een klassiek gymzaaltje, met een muf riekende kleedruimte en stevige houten banken aan een ruw bakstenen muur geschroefd. Kleine raampjes met tralies en een bak met vergeten sportspullen. We gaan de zaal in. Daar, in een nis, verborgen achter een nettengordijn, staat alle lekkernij voor deze energieke club kinderen. We zien de lange mat op een karretje , de kast, de bok, springplanken, minitrampoline, de dikke mat en nog veel meer. Voor zoveel mooie ingrediënten is maar één passend recept, Apenkooien!

De kinderen richten zelf de zaal in, de touwen komen als dronken pieren over de rails aan het plafond aangewaggeld. De lange matten kar is best te duwen met drie kinderen. Men vind het klimrek toch te onhandig. Er wordt voortdurend overlegd tussen de kinderen, want het moet spannend zijn, uitdagend en met ‘sluiproutes’ voor de tikker. Gekleurde hoepels op de grond als staptegels naar een veilig oord. De dikke mat, in het midden van het zaaltje, wordt een verzamel plek om te chillen. De kinderen proberen regelmatig of de opstellingen werken. Effe proef op de springplank over de kast op de mat, verder over de bank, yess!

Ron en ik laten de kinderen hun gang gaan en helpen bij wat ze niet zelf kunnen. De dikke mat wordt ondertussen een eiland met hyper enthousiaste kinderen. Dan doet Ron, in zijn eentje, een glorieus testrondje langs alle toestellen als een soort openingsceremonie en kunnen we beginnen. Ik vind een fluitje tussen de spullen en we moeten nog spelregels afspreken, de gymleraar in mij ontwaakt. Nu blijkt dat iedereen andere regels en ideeën heeft over hoe apenkooi gespeeld moet worden, de kinderen proberen elkaar te overtuigen. “ Ja, maar bij ons op school……..”

We spreken een paar basisregels af waar we het wél over eens zijn, en beginnen. De kinderen zijn dol enthousiast omdat hun parcours werkt, en al spelende komen ze op nog betere ideeën. Ik blaas op m’n fluitje en vraag hoe het gaat. De aanloop naar de touwen wordt veranderd zodat grote én kleine kinderen in het touw kunnen duiken. Ook komt er een ‘terug tik’ variant en een ‘allemaal vrij’ optie ter sprake. We besluiten om nog een proefronde te doen en te kijken hoe de laatste aanpassingen uitpakken. Na 10 min spelen fluit ik om te checken. ‘Niet stoppen, het is juist zo leuk’ roepen de kinderen met een rood hoofd. De bezwaren zijn vergeten, of niet meer van toepassing. Door te doen komen de kinderen er achter wat werkt en wat niet.  Daarna stoppen we nog regelmatig, om het parcours aan te passen, te eten en drinken op de dikke mat en kletsen we over hoe leuk het is.

Iedereen wordt wat moe, en als vanzelf beginnen de kinderen met afbreken van het parcours. Ook dit wordt een spel. Nog nooit heb ik een groep kinderen met zoveel lol en toewijding een gymzaal zien opruimen. Ron en ik kijken elkaar aan: hoe gaaf is het om een groep kinderen enthousiast aan het spelen te krijgen, verantwoordelijkheid te geven voor slagen van hun eigen verjaardagsfeestje. En, hoeveel lol hebben wij gehad als begeleider.

Hoe pas je dit nu toe op je werk? Hierbij een paar tips; maak het proces minstens zo belangrijk als het doel. Maak fouten, zie het als een leermoment. Focus je op overeenkomsten en begin. Regelmatig even kort werk overleg is effectiever dan lange vergaderingen. Bij grote veranderingen in het proces eerst een stap maken, kort evalueren, aanpassen en verder. Geef het goede voorbeeld, dat doet volgen. Grijp als leidinggevende alleen in wanneer medewerkers het echt niet alleen kunnen. Na stap 1,  komt stap 1. Het is te leren.

We kunnen natuurlijk ook gewoon gaan apenkooien, ik weet nog wel een zaaltje!

Ger Casparie